maandag 14 maart 2016

Was ich noch zu sagen hätte ...

Zaterdag 12 maart traden we als Schrijversharten met veel plezier op in Cultura/bibliotheek van Ede. We lazen voor en deden een korte Proust-vragensessie.
Het Boekenweekthema is dit jaar Duitsland (Was ich noch zu sagen hätte). Daarom hielden Martijn Adelmund, Laurens van der Zee en ik ook een persoonlijk praatje over onze band met Duitsland en wat die eventueel voor ons schrijven betekent.
Dit was mijn tekst:
 
Ik kom niet vaak in Duitsland, maar de eerste en laatste keer herinner ik me nog goed. De laatste keer was vorig jaar toen ik voor Käthe Kollwitz afreisde naar haar museum in Keulen.

De eerste keer behoort tot een van mijn vroegste herinneringen, jaren 50. Trein en vervolgens tram of bus? Een roomse reis in elk geval: vanuit Midden-Limburg naar Kerkrade waar een tante van mijn moeder in het klooster van Rolduc zat. Op de een of andere manier kwamen we in een grensgebied terecht, misschien wel de Nieuwstraat/Neustrasse. Als er geen mannen in uniformen en een controle was geweest, had ik het me waarschijnlijk niet eens meer herinnerd. Maar er was nu iets spannends. Was het toen dat ontdekt werd dat mijn moeder zelf maar een van de kinderen had bijgeschreven in haar paspoort?
Had ze er geen idee van of had ze geen tijd om dat via de bevoegde instanties te regelen?

In Limburg stond vaak de tv op een Duitse zender en mijn passieve Duits is dus heel behoorlijk. Maar ondanks een degelijke MMS-opleiding met veel aandacht voor de talen durf ik nauwelijks Duits te spreken. Op diezelfde MMS hadden we een indrukwekkende leeslijst. Ik herinner me vooral ‘Die Schachnovelle’ van Stefan Zweig. Gevangen zitten en om niet dood te gaan van verveling  of gek te worden schaakpartijen in je hoofd spelen. Immers ‘Gedanken sind frei’.
Ook ‘Die Verwandlung’ van Franz Kafka maakte veel indruk op me. Het zal je maar gebeuren dat je op een dag jezelf terugvindt als insect.
Was het door die invloed dat een van mijn vroegste verhalen ging over een dag waarop het niet meer licht werd? Het zal je maar gebeuren.
Over mijn eigen werk gesproken. Van mijn ongeveer 30 boeken is er slechts eentje vertaald: Logeerbeer, in het Chinees. Maar veel eerder had er al een vertaald kunnen zijn, als …
Mijn tweede kinderboek ‘Kopje-onder’ was net uit in 1993 toen mijn uitgever na de boekenbeurs van Frankfurt enthousiast belde. Een Duitse uitgeverij had de rechten gekocht. Internationaal succes lonkte in de verte, maar het leek me nog mooier om straks de Duitse versie in handen te houden. Zou het ‘Köpfchen-unter’ of zoiets heten? Helaas, de Duitse uitgeverij stopte ermee.  Ik had wel de rechtenvergoeding gekregen, maar ik had toch liever dat boek in mijn kast gehad.

Lang geleden las ik, in het Duits zelfs, ‘Die unendliche Geschichte’ van Michael Ende.
Sindsdien lees ik af en toe nog een boek in vertaling. Bijzonder vond ik ‘Axolotl Roadkill’ van Helene Hegemann, een inkijk in een heel andere wereld. Generatie Nix in Berlijn, over een jongere die zich niet weet te hechten.
Maar het meest fascinerend vond ik  Ademschommel (Atemschaukel) van Herta Müller.
Als welvarende westerling kan ik me natuurlijk geen flauwe voorstelling maken van honger, maar Herta Müller is het gelukt dat even voelbaar te maken. Dat holle gevoel in je maag. Hoe het is om gras te eten.
Je wilt het niet, maar het moet. De levensdrang is groter dan de afkeer. Je wilt niet gruwelijk dood zoals de mensen om je heen.
Ik zag vorig jaar een boeiende documentaire over Herta Müller. Zij lijdt nog steeds van de onderdrukking en ontberingen in het verleden. Voor haar is schrijven herbeleven en dus telkens opnieuw lijden en het putte haar uit.
Dat schrijven zo pijn kan doen. En dat je het dan toch doet. Omdat het niet anders kan. Misschien ook omdat de wereld het moet weten. Zoals die welvarende vrouw als ik in Nederland die nooit honger en onderdrukking heeft gekend.  En die huivert onder het lezen.
Dat is waar goede boeken toe in staat zijn.

Foto's: Martijn Adelmund



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen